Een week geleden verscheen de (door mij) langverwachte bundel Van de marge naar de macht. De ChristenUnie 2000-2010. Het meest spraakmakende hoofdstuk was niet mijn eigen bijdrage, maar die van George Harinck en Hugo Scherff, waarin gesteld wordt dat de overheidsvisie van de ChristenUnie onderhevig is aan achterstallig onderhoud. Is een dergelijke woordkeuze historisch-wetenschappelijk verantwoord? Ik denk van niet.
In een reactie in het Nederlands Dagblad van 4 februari verwezen Meindert Leerling en Bram Kadijk naar de CDA-sympathieën van Harinck. Dat is zonder meer een stoot onder de gordel, maar nadat ik het hoofdstuk heb gelezen kan ik beter begrijpen wat Leerling en Kadijk dreef. Harinck en Scherff lijken méér te willen dan slechts een historische typering geven van de politieke visie van RPF en GPV voor de fusie en de ChristenUnie erna. Ze lijken er bovenal op uit te zijn om een rol te spelen in het debat rondom de ‘herbezinning’ van de CU-beginselen dat is gestart door Stefan Paas en Ad de Bruyne. Harinck speelt een kritische rol in de vrijgemaakte wereld, Scherff is een opkomend politiek talent in de ChristenUnie (momenteel lijsttrekker in Amsterdam).
‘De pot verwijt de ketel’…
De reactie van Leerling en Kadijk is getekend door het oude RPF-perspectief: moet God uit alle teksten en uitingen van de ChristenUnie verdwijnen omdat Hij achterhaald zou zijn in de moderne Nederlandse maatschappij? Hun artikel is mede namens Rijk van Dam (oud-fractiemedewerker van Leerling en oud- Europarlementariër namens de RPF), Piet Langeler (RPF-voorzitter van 1975 tot 1984) en Jan Rietkerk (lijsttrekker van de RPF in 1977). Belangrijker en ook veel vernietigender voor Harinck en Scherff is de reactie van Roel Kuiper en Gert-Jan Segers (respectievelijk oud- en huidig directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie) in het Reformatorisch Dagblad. Zij nemen aanstoot aan het gebruik van termen als ‘achterstallig onderhoud’, ‘oude wijn in nieuwe zakken’ en het ‘probleem’ dat de ChristenUnie zou hebben. Bovendien verwijten zij Harinck en Scherff
dat ze heel wat publicaties die in de afgelopen tien jaar over christelijke politiek zijn verschenen, hebben overgeslagen, zoals bijvoorbeeld het boek ”Dienstbare Overheid” en de bundel ”Macht en overtuiging”. Als er sprake is van „achterstallig onderhoud”, dan betreft dat eerder het leeswerk van de auteurs. Erg onzorgvuldig allemaal.
Harinck en Scherff verdedigen zich in het stuk al tegen dit soort aanvallen:
Het voert te ver om uitputtend en tot in detail de verschillende programma’s en andere documenten naast elkaar te leggen. (Van de marge naar de macht, blz. 136)
Hier is het tijd voor een hand in eigen boezem. Ik ben immers auteur van het tweede hoofdstuk in deze bundel en herken het probleem van Harinck en Scherff. Om te schrijven over de RPF moest ik in feite ‘vooruitwerken’: mijn proefschrift verschijnt pas over een paar jaar, mijn onderzoek is niet voltooid. Daarom staan er in mijn stuk in Van de marge naar de macht ’slechts’ voorlopige conclusies, die in het proefschrift nog nader worden uitgewerkt. Ik heb in de manier waarop ik het hoofdstuk heb geschreven geprobeerd kritiek zoals die van Kuiper en Segers te vermijden en blijkbaar ben ik daarin vooralsnog beter geslaagd dan Harinck en Scherff. Mijn stuk is dan ook minder gewaagd, of anders gezegd, saaier dan dat van mijn twee collega’s.
Tot slot uiten Kuiper en Segers nog het verwijt dat het hoofdstuk erg ‘oningewijd’ is geschreven en dat het WI graag een gesprek met de auteurs had gevoerd. Dat Harinck als wetenschapper dit niet doet, is niet vreemd. Dat hij het als CDA-er niet doet is al evenmin verbazingwekkend. De positie van Scherff is echter anders: waarom passeert de lijsttrekker van onze hoofdstad zijn eigen wetenschappelijk bureau? En waarom distantieert hij zich van de kernvisie van zijn eigen partij? Waarom heeft hij Dienstbare overheid en Macht en overtuiging niet gelezen?
Tot zover BB de historicus…
…maar wat vindt BB de ChristenUnieman eigenlijk van dit stuk? In de eerste helft zoeken Harinck en Scherff naar de overeenkomsten en verschillen tussen GPV en RPF (jaren negentig) en ChristenUnie (jaren ‘nul’). Ze constateren dat de fusiepartners erg dicht bij elkaar liggen, dat ‘cultuuropdracht’ (GPV) en ‘publieke gerechtigheid’ (RPF) eigenlijk amper van elkaar te onderscheiden zijn en dat misschien hooguit het Israëlstandpunt van de RPF het heeft ‘gewonnen’ van dat van het GPV – voor zover die laatste partij überhaupt iets te melden had over dat land. Het is jammer dat het clichébeeld van het GPV als ‘bestuurlijke’ en de RPF als ‘evangelisch bewogen’ partij wordt herhaald – dit is vooral een GPV-geïnspireerde visie op de verschillen tussen deze partijen, waarbij bestuurlijk veel positiever en professioneler klinkt dan evangelisch bewogen (of het alternatief: getuigenispartij). Bovendien zag ik in de voorafgaande tekst weinig aanleiding tot die conclusie. Enfin, dat is geneuzel over details van een historicus die dagelijks met de RPF bezig is. Alles bij elkaar denk ik dat Harinck en Scherff in dit gedeelte een goed beeld geven.
Het tweede deel van het hoofdstuk gaat in op de overheidsvisie van de ChristenUnie. Daarbij vallen de auteurs soms terug op ‘woordjes tellen’: ‘democratie’ komt in Uniefundering, Unieverklaring en Kernprogramma zelden voor, ‘overheid’ juist heel vaak. Dat lijkt op het beleid dat dominee Glashouwer in de jaren zeventig wilde voeren met de Evangelische Omroep: als het woord ‘Jezus’ maar vaak genoeg viel dan was alles verder goed. Toch hebben Harinck en Scherff hier een punt. RPF en GPV zagen de overheid vooral als ’schild voor de zwakken’, als beschermer van het recht in de maatschappij. De ChristenUnie lijkt voor de overheid een veel actievere rol weg te leggen. De commentaren over Rouvoets ’schaamhaarpolitie’ en het betuttelende van het huidige kabinet zijn niet van de lucht. Hier wordt absoluut een goed punt gemaakt en echt verbazend is het ook niet. Het GPV, maar vooral de RPF kende in de jaren tachtig en negentig een ontwikkeling van pleiten voor een extreem terughoudende overheid naar meer staatsbemoeienis. De ChristenUnie lijkt zeer sterk te vertrouwen op de overheid. CDA en VVD verliezen het doel van publieke gerechtigheid mijns inziens teveel uit het oog (populistisch gezegd: laten de zwakkeren in de samenleving in de kou staan); de ChristenUnie gaat weer teveel de kant van de linkse partijen op.
Dan over de aard van de overheid: die is volgens de ChristenUnie door God ingesteld en moet ook God eren. Het streven naar een christelijke overheid ligt in het verlengde van de antirevolutionaire traditie, vooral het denken van Groen van Prinsterer. Het is wezenlijk anders dan bijvoorbeeld de hedendaagse katholieke visie, waarbij voor een ’seculiere’ overheid wordt gepleit en waar godsdienstvrijheid voor katholieken een waarborg moet zijn om in de maatschappij (en dus in de politiek) hun eigen visie vorm en inhoud te geven. Hoeveel verschilt dit van de ChristenUnie, die blijkens haar Unieverklaring wil dat de overheid
de geestelijke en politieke vrijheden waarborgt, opdat God naar zijn Woord gediend kan worden.
Dit wordt door Harinck en Scherff vertaald als theocratisch. Het stuk achter de komma zou door de RPF aan de ChristenUnie zijn opgedrongen. Het ‘opdat…worden’ staat er, zo schat ik het in, omdat de RPF in het eerste deel het risico zag, dat men zou denken dat de ChristenUnie alle religies als gelijkwaardig ziet. De toevoeging is dus bedoeld om te communiceren wat de ChristenUnie wil doen met die ‘geestelijke en politieke vrijheden’: zij wil die vrijheden gebruiken om God naar zijn Woord te dienen, ook via de overheid. Dat de ChristenUnie dit wil betekent echter niet dat zij anderen het recht ontzegt om iets anders na te streven. De politieke en geestelijke vrijheden zorgen dat God gediend kan worden zoals ze er ook voor zorgen dat mensen die Satan willen dienen, dit kunnen doen. Dat laatste had ook toegevoegd kunnen worden aan bovenstaande passage, maar dat was voor de ChristenUnie geen voor de hand liggende keuze geweest.
Het benadrukken van godsdienstvrijheid zou in strijd zijn met het verlangen om de staat in te richten naar christelijke normen, zo concluderen Harinck en Scherff. Zij spreken consequent over een ‘probleem’, een ’spanning’, over ‘frictie’. Ik vraag me af of die er is. Is er dan ook een spanning tussen grondwettelijke vrijheden en de wil van de SP om de staat in te richten naar socialistische normen? De term ‘christelijke overheid’ is achterhaald, te achterhaald om in de moderne maatschappij nog goed te worden begrepen. Hiermee bedoelt de ChristenUnie vooral dat de overheid een door God ingestelde institutie is, maar doordat zo sterk wordt vastgehouden aan terminologie uit de negentiende en vroeg-twintigste eeuw wekt de partij de indruk tegen democratie en voor theocratie te zijn. Dat Scherff en Harinck in deze context het woord ‘Iran’ laten vallen vind ik misplaatst. Dat de ChristenUnie op zoek moet naar termen die beter aansluiten bij het hedendaagse politieke discours, ben ik met hen eens.
Wetenschappelijk pamflet
Al met al lijkt dit hoofdstuk het midden te houden tussen een politiek pamflet en een historisch-wetenschappelijk overzicht. Als overzicht is het onvolledig doordat enkele belangrijke documenten er niet bij betrokken zijn. Als pamflet getuigt het van weinig voeling met wat de ChristenUnie nu precies bedoelt met al haar bijbel-gerelateerde taal over de functie van de overheid.
De slotbeschouwing bevat een vergelijking met het CDA, dat in de jaren tachtig een ideologisch vernieuwingsproces doormaakte. Bij de ChristenUnie is dat in het eerste decennium na de fusie uitgebleven. De vergelijking gaat echter mank: in het CDA kwamen katholieken en protestanten bij elkaar, de diversiteit was heel groot. In de ChristenUnie kwamen twee partijen samen die in de jaren negentig al hadden geconcludeerd dat er ideologisch vrijwel geen onderlinge verschillen meer bestonden. Logisch dat je dan na een fusie niet radicaal het roer omgooit. Ik lees tussen de regels door in deze slotbeschouwing het verlangen dat de ChristenUnie wat meer op het CDA gaat lijken: een programmapartij die los is van de achterhaalde discussie over ideologische beginselen, een partij die de seculiere maatschappij erkent en geen onrealistische wensen koestert.
De analyse die Harinck en Scherff geven vind ik bij vlagen treffend. De partij trekt in de praktijk steeds meer naar de overheidsvisie van de PvdA en de pragmatisch-christendemocratische instelling van het CDA toe, terwijl ze in haar fundament een beginselpartij blijft die sterk leunt op Groen en Kuyper. Ik zie wel achterstallig onderhoud, maar geen spanningen en problemen in de visie van de CU. Het is voor mij helemaal niet zo duidelijk dat de ChristenUnie in theorie een partij is met theocratische neigingen. Met flexibel denken kan de partij-ideologie verenigbaar zijn met wat Benedictus XVI schrijft in Caritas in veritate over een seculiere overheid en de vrijheid van godsdienst. Dat laatste klinkt heel anders dan ‘de overheid moet God eren’, maar misschien wordt er wel hetzelfde bedoeld: de overheid is democratisch met respect voor alle politieke en geestelijke vrijheden, maar dat is verenigbaar met de wens van een christelijke beginselpartij om die overheid naar christelijk ideaal te willen inrichten.
Hoe? Daar hoop ik nog altijd in latere blogs op terug te komen. Voor nu geven Harinck en Scherff een goede, scherpe aanzet voor discussie aan de hand waarvan ik mijn eigen visie verder hoop te specificeren.