Feeds:
Berichten
Reacties

Bart-Jan Spruyt schrijft een column op zijn weblog over de studentenacties tegen weer de zoveelste bezuiniging van het Ministerie van OCW. Als het aan hem ligt, wordt de basisbeurs voor studenten voortaan een lening. Eén positief gevolg is in ieder geval dat dan het aantal hoogopgeleiden zal afnemen. Daarvan hebben we er nu toch veel te veel, dus een beetje minder kan geen kwaad.

Spruyt rekent in zijn verhaal echter te makkelijk. Hij gaat ten onrechte uit van een gemiddelde totale studieschuld van 12000 euro. De berekening: de basisbeurs is 250 euro per maand, een studie duurt vier jaar, dan is je schuld 12000 euro. Hij vergeet echter enkele dingen:

  1. Deze schuld komt bovenop de schuld die studenten al hebben doordat ze geld lenen van de IBG. Van 250 euro per maand kan geen mens rondkomen.
  2. Spruyt doet alsof er geen rente bestaat. Ik los bijvoorbeeld 175 euro per maand af van mijn schuld, maar in diezelfde maand groeit het totaalbedrag van die schuld met tegen de 100 euro.
  3. Hij gaat uit van het blijkbaar statistische feit dat hoogopgeleiden gemiddeld 32% meer verdienen dan niet-hoogopgeleiden. Dit zou zomaar kunnen kloppen, maar de salarisverschillen tussen hoogopgeleiden onderling zijn te groot om te gaan wapperen met een gemiddelde.

Simpele columnpjes schrijven voor Binnenlands Bestuur kunnen we allemaal en ik moet Spruyt nageven dat het prikkelend genoeg was om op te reageren. Ik ben absoluut voorstander van wat men ‘verantwoordelijkheid nemen’ noemt. Dat je tien jaar lang een gratis basisbeurs kunt krijgen is te lang. Echter Spruyts afweging is te simpel. Ten eerste zijn aanname dat mensen hun studie in vier jaar kunnen afronden. Dat geldt ongetwijfeld voor een simpele studie als geschiedenis (hoe lang heeft Spruyt zelf eigenlijk gestudeerd?). Maar als je die in vier jaar hebt afgerond is het erg lastig om een baan te vinden waarvoor je gekwalificeerd bent. En als postbode verdien je niet 32% meer dan de gemiddelde niet-hoogopgeleide.

Je vergroot je kansen op dat mooie salaris en die leuke baan, door flink wat activiteit te ondernemen naast je studie: je klust bij als journalist of in de politiek of in universitaire organen, of je doet naast je hoofdstudie nog (delen van) een andere studie. Dat kost tijd, met als gevolg dat je geen vier, maar al gauw vijf of zes jaar bezig bent. Als je nevenactiviteiten geen geld opleveren en je ouders niet rijk zijn, moet je naast de basisbeurs vaak nog minimaal 250 euro per maand bijlenen. De totale schuld groeit dan al richting de 40.000 euro en dat betekent een aflossing, twintig jaar lang, van pakweg 300 euro per maand. Neem aan dat je begint met een (mooi!) salaris van rond de 2500 euro bruto, dan is dat een forse last. Spruyt lacht dit weg door te stellen dat hoogopgeleiden door die schuld niet 32%, maar 31% meer verdienen dan niet-hoogopgeleiden. Ik hoef er niet eens een rekenmachine bij te pakken om te zien dat dit onzin is.

Nu is het wel zo dat dit leensysteem van Spruyt veel mensen zal afschrikken en daardoor de kansen voor mensen die nog wél gaan studeren, groter zal maken. Er gaan tegenwoordig veel mensen studeren die niet weten wat ze willen of die zich er niet voldoende van bewust zijn dat hun studie ook een doel heeft, namelijk een carrière. Als Spruyts systeem die mensen dwingt tot bezinning, als het een deel van die groep er misschien van weerhoudt te gaan studeren, dan is dat winst.

Dat is echter niet zo. Spruyts systeem treft vooral de onderklasse: mensen die van huis uit hebben meegekregen dat er goed op het geld gepast moet worden, dat je zéér terughoudend moet zijn met het lenen van geld, jonge mensen die via hun thuissituatie ook geen beeld hebben meegekregen van de welvaart die een hoge opleiding met zich meebrengt. Wie opgroeit in een vrijstaand huis, een familie vol hoogopgeleiden heeft en zijn ouders ziet rondrijden in een dure auto, heeft sneller een houding van: ach, zo’n lening, dat is geen probleem. Spruyts idee klinkt lekker conservatief en zal met vlag en wimpel slagen voor de Balkenende-toets voor het nemen van vrntwrdlkhd, maar in essentie is het onrechtvaardig. Het is een terugkeer naar het systeem waarin studeren was weggelegd voor de elite, de verwende kinderen met een rijke pappa. Een perfecte methode om te bezuinigen en het aantal studenten terug te brengen. Maar de onderklasse wordt er het slachtoffer van, en de kwaliteit van de studentenpopulatie zal er niet door verbeteren.

Een week geleden verscheen de (door mij) langverwachte bundel Van de marge naar de macht. De ChristenUnie 2000-2010. Het meest spraakmakende hoofdstuk was niet mijn eigen bijdrage, maar die van George Harinck en Hugo Scherff, waarin gesteld wordt dat de overheidsvisie van de ChristenUnie onderhevig is aan achterstallig onderhoud. Is een dergelijke woordkeuze historisch-wetenschappelijk verantwoord? Ik denk van niet.

In een reactie in het Nederlands Dagblad van 4 februari verwezen Meindert Leerling en Bram Kadijk naar de CDA-sympathieën van Harinck. Dat is zonder meer een stoot onder de gordel, maar nadat ik het hoofdstuk heb gelezen kan ik beter begrijpen wat Leerling en Kadijk dreef. Harinck en Scherff lijken méér te willen dan slechts een historische typering geven van de politieke visie van RPF en GPV voor de fusie en de ChristenUnie erna. Ze lijken er bovenal op uit te zijn om een rol te spelen in het debat rondom de ‘herbezinning’ van de CU-beginselen dat is gestart door Stefan Paas en Ad de Bruyne. Harinck speelt een kritische rol in de vrijgemaakte wereld, Scherff is een opkomend politiek talent in de ChristenUnie (momenteel lijsttrekker in Amsterdam).

‘De pot verwijt de ketel’…

De reactie van Leerling en Kadijk is getekend door het oude RPF-perspectief: moet God uit alle teksten en uitingen van de ChristenUnie verdwijnen omdat Hij achterhaald zou zijn in de moderne Nederlandse maatschappij? Hun artikel is mede namens Rijk van Dam (oud-fractiemedewerker van Leerling en oud- Europarlementariër namens de RPF), Piet Langeler (RPF-voorzitter van 1975 tot 1984) en Jan Rietkerk (lijsttrekker van de RPF in 1977). Belangrijker en ook veel vernietigender voor Harinck en Scherff is de reactie van Roel Kuiper en Gert-Jan Segers (respectievelijk oud- en huidig directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie) in het Reformatorisch Dagblad. Zij nemen aanstoot aan het gebruik van termen als ‘achterstallig onderhoud’, ‘oude wijn in nieuwe zakken’ en het ‘probleem’ dat de ChristenUnie zou hebben. Bovendien verwijten zij Harinck en Scherff

dat ze heel wat publicaties die in de afgelopen tien jaar over christelijke politiek zijn verschenen, hebben overgeslagen, zoals bijvoorbeeld het boek ”Dienstbare Overheid” en de bundel ”Macht en overtuiging”. Als er sprake is van „achterstallig onderhoud”, dan betreft dat eerder het leeswerk van de auteurs. Erg onzorgvuldig allemaal.

Harinck en Scherff verdedigen zich in het stuk al tegen dit soort aanvallen:

Het voert te ver om uitputtend en tot in detail de verschillende programma’s en andere documenten naast elkaar te leggen. (Van de marge naar de macht, blz. 136)

Hier is het tijd voor een hand in eigen boezem. Ik ben immers auteur van het tweede hoofdstuk in deze bundel en herken het probleem van Harinck en Scherff. Om te schrijven over de RPF moest ik in feite ‘vooruitwerken’: mijn proefschrift verschijnt pas over een paar jaar, mijn onderzoek is niet voltooid. Daarom staan er in mijn stuk in Van de marge naar de macht ’slechts’ voorlopige conclusies, die in het proefschrift nog nader worden uitgewerkt. Ik heb in de manier waarop ik het hoofdstuk heb geschreven geprobeerd kritiek zoals die van Kuiper en Segers te vermijden en blijkbaar ben ik daarin vooralsnog beter geslaagd dan Harinck en Scherff. Mijn stuk is dan ook minder gewaagd, of anders gezegd, saaier dan dat van mijn twee collega’s.

Tot slot uiten Kuiper en Segers nog het verwijt dat het hoofdstuk erg ‘oningewijd’ is geschreven en dat het WI graag een gesprek met de auteurs had gevoerd. Dat Harinck als wetenschapper dit niet doet, is niet vreemd. Dat hij het als CDA-er niet doet is al evenmin verbazingwekkend. De positie van Scherff is echter anders: waarom passeert de lijsttrekker van onze hoofdstad zijn eigen wetenschappelijk bureau? En waarom distantieert hij zich van de kernvisie van zijn eigen partij? Waarom heeft hij Dienstbare overheid en Macht en overtuiging niet gelezen?

Tot zover BB de historicus…

…maar wat vindt BB de ChristenUnieman eigenlijk van dit stuk? In de eerste helft zoeken Harinck en Scherff naar de overeenkomsten en verschillen tussen GPV en RPF (jaren negentig) en ChristenUnie (jaren ‘nul’). Ze constateren dat de fusiepartners erg dicht bij elkaar liggen, dat ‘cultuuropdracht’ (GPV) en ‘publieke gerechtigheid’ (RPF) eigenlijk amper van elkaar te onderscheiden zijn en dat misschien hooguit het Israëlstandpunt van de RPF het heeft ‘gewonnen’ van dat van het GPV – voor zover die laatste partij überhaupt iets te melden had over dat land. Het is jammer dat het clichébeeld van het GPV als ‘bestuurlijke’ en de RPF als ‘evangelisch bewogen’ partij wordt herhaald – dit is vooral een GPV-geïnspireerde visie op de verschillen tussen deze partijen, waarbij bestuurlijk veel positiever en professioneler klinkt dan evangelisch bewogen (of het alternatief: getuigenispartij). Bovendien zag ik in de voorafgaande tekst weinig aanleiding tot die conclusie. Enfin, dat is geneuzel over details van een historicus die dagelijks met de RPF bezig is. Alles bij elkaar denk ik dat Harinck en Scherff in dit gedeelte een goed beeld geven.

Het tweede deel van het hoofdstuk gaat in op de overheidsvisie van de ChristenUnie. Daarbij vallen de auteurs soms terug op ‘woordjes tellen’: ‘democratie’ komt in Uniefundering, Unieverklaring en Kernprogramma zelden voor, ‘overheid’ juist heel vaak. Dat lijkt op het beleid dat dominee Glashouwer in de jaren zeventig wilde voeren met de Evangelische Omroep: als het woord ‘Jezus’ maar vaak genoeg viel dan was alles verder goed. Toch hebben Harinck en Scherff hier een punt. RPF en GPV zagen de overheid vooral als ’schild voor de zwakken’, als beschermer van het recht in de maatschappij. De ChristenUnie lijkt voor de overheid een veel actievere rol weg te leggen. De commentaren over Rouvoets ’schaamhaarpolitie’ en het betuttelende van het huidige kabinet zijn niet van de lucht. Hier wordt absoluut een goed punt gemaakt en echt verbazend is het ook niet. Het GPV, maar vooral de RPF kende in de jaren tachtig en negentig een ontwikkeling van pleiten voor een extreem terughoudende overheid naar meer staatsbemoeienis. De ChristenUnie lijkt zeer sterk te vertrouwen op de overheid. CDA en VVD verliezen het doel van publieke gerechtigheid mijns inziens teveel uit het oog (populistisch gezegd: laten de zwakkeren in de samenleving in de kou staan); de ChristenUnie gaat weer teveel de kant van de linkse partijen op.

Dan over de aard van de overheid: die is volgens de ChristenUnie door God ingesteld en moet ook God eren. Het streven naar een christelijke overheid ligt in het verlengde van de antirevolutionaire traditie, vooral het denken van Groen van Prinsterer. Het is wezenlijk anders dan bijvoorbeeld de hedendaagse katholieke visie, waarbij voor een ’seculiere’ overheid wordt gepleit en waar godsdienstvrijheid voor katholieken een waarborg moet zijn om in de maatschappij (en dus in de politiek) hun eigen visie vorm en inhoud te geven. Hoeveel verschilt dit van de ChristenUnie, die blijkens haar Unieverklaring wil dat de overheid

de geestelijke en politieke vrijheden waarborgt, opdat God naar zijn Woord gediend kan worden.

Dit wordt door Harinck en Scherff vertaald als theocratisch. Het stuk achter de komma zou door de RPF aan de ChristenUnie zijn opgedrongen. Het ‘opdat…worden’ staat er, zo schat ik het in, omdat de RPF in het eerste deel het risico zag, dat men zou denken dat de ChristenUnie alle religies als gelijkwaardig ziet. De toevoeging is dus bedoeld om te communiceren wat de ChristenUnie wil doen met die ‘geestelijke en politieke vrijheden’: zij wil die vrijheden gebruiken om God naar zijn Woord te dienen, ook via de overheid. Dat de ChristenUnie dit wil betekent echter niet dat zij anderen het recht ontzegt om iets anders na te streven. De politieke en geestelijke vrijheden zorgen dat God gediend kan worden zoals ze er ook voor zorgen dat mensen die Satan willen dienen, dit kunnen doen. Dat laatste had ook toegevoegd kunnen worden aan bovenstaande passage, maar dat was voor de ChristenUnie geen voor de hand liggende keuze geweest.

Het benadrukken van godsdienstvrijheid zou in strijd zijn met het verlangen om de staat in te richten naar christelijke normen, zo concluderen Harinck en Scherff. Zij spreken consequent over een ‘probleem’, een ’spanning’, over ‘frictie’. Ik vraag me af of die er is. Is er dan ook een spanning tussen grondwettelijke vrijheden en de wil van de SP om de staat in te richten naar socialistische normen? De term ‘christelijke overheid’ is achterhaald, te achterhaald om in de moderne maatschappij nog goed te worden begrepen. Hiermee bedoelt de ChristenUnie vooral dat de overheid een door God ingestelde institutie is, maar doordat zo sterk wordt vastgehouden aan terminologie uit de negentiende en vroeg-twintigste eeuw wekt de partij de indruk tegen democratie en voor theocratie te zijn. Dat Scherff en Harinck in deze context het woord ‘Iran’ laten vallen vind ik misplaatst. Dat de ChristenUnie op zoek moet naar termen die beter aansluiten bij het hedendaagse politieke discours, ben ik met hen eens.

Wetenschappelijk pamflet

Al met al lijkt dit hoofdstuk het midden te houden tussen een politiek pamflet en een historisch-wetenschappelijk overzicht. Als overzicht is het onvolledig doordat enkele belangrijke documenten er niet bij betrokken zijn. Als pamflet getuigt het van weinig voeling met wat de ChristenUnie nu precies bedoelt met al haar bijbel-gerelateerde taal over de functie van de overheid.

De slotbeschouwing bevat een vergelijking met het CDA, dat in de jaren tachtig een ideologisch vernieuwingsproces doormaakte. Bij de ChristenUnie is dat in het eerste decennium na de fusie uitgebleven. De vergelijking gaat echter mank: in het CDA kwamen katholieken en protestanten bij elkaar, de diversiteit was heel groot. In de ChristenUnie kwamen twee partijen samen die in de jaren negentig al hadden geconcludeerd dat er ideologisch vrijwel geen onderlinge verschillen meer bestonden. Logisch dat je dan na een fusie niet radicaal het roer omgooit. Ik lees tussen de regels door in deze slotbeschouwing het verlangen dat de ChristenUnie wat meer op het CDA gaat lijken: een programmapartij die los is van de achterhaalde discussie over ideologische beginselen, een partij die de seculiere maatschappij erkent en geen onrealistische wensen koestert.

De analyse die Harinck en Scherff geven vind ik bij vlagen treffend. De partij trekt in de praktijk steeds meer naar de overheidsvisie van de PvdA en de pragmatisch-christendemocratische instelling van het CDA toe, terwijl ze in haar fundament een beginselpartij blijft die sterk leunt op Groen en Kuyper. Ik zie wel achterstallig onderhoud, maar geen spanningen en problemen in de visie van de CU. Het is voor mij helemaal niet zo duidelijk dat de ChristenUnie in theorie een partij is met theocratische neigingen. Met flexibel denken kan de partij-ideologie verenigbaar zijn met wat Benedictus XVI schrijft in Caritas in veritate over een seculiere overheid en de vrijheid van godsdienst. Dat laatste klinkt heel anders dan ‘de overheid moet God eren’, maar misschien wordt er wel hetzelfde bedoeld: de overheid is democratisch met respect voor alle politieke en geestelijke vrijheden, maar dat is verenigbaar met de wens van een christelijke beginselpartij om die overheid naar christelijk ideaal te willen inrichten.

Hoe? Daar hoop ik nog altijd in latere blogs op terug te komen. Voor nu geven Harinck en Scherff een goede, scherpe aanzet voor discussie aan de hand waarvan ik mijn eigen visie verder hoop te specificeren.

Ik zag het gisteren liggen bij de Bruna in Hilversum: de Telegraaf met op de voorpagina een kop in letters die je van honderd meter afstand kunt lezen: ‘SGP gaat vrouwen weren via trucs’.

Een dag later is duidelijk dat de krant bewust of onbewust (ik vrees het eerste) een typisch staaltje SGP-humor wat al te serieus heeft genomen: in de wandelgangen wordt gegrapt dat als de Hoge Raad de partij dwingt vrouwen op de lijst te zetten, zij gewoon mw. Van der Vlies en mw. Van der Staay achter hun echtgenotes zal zetten. Dat staan zij immers toch al. De SGP corrigeerde ’s lands grootste dagblad direct. Het Reformatorisch Dagblad sprak, zeer terecht, van stemmingmakerij:

Natuurlijk kan men erom lachen dat De Telegraaf erin is gestonken. Evenzo kan men zijn schouders ophalen voor een korte opmerking in een radiouitzending. Maar met elkaar beïnvloeden ze wel de publieke opinie. Terwijl de feiten anders liggen. Zo gaat de krant voorbij aan de manier waarop de SGP met haar principes omgaat. De redactie had beter kunnen weten. Maar wil dat kennelijk niet. Ze kiest voor oppervlakkige journalistiek, die leidt tot stemmingmakerij, die past in het patroon waarmee orthodoxe christenen de laatste tijd in diskrediet worden gebracht.

En de Telegraaf zelf? Die zwijgt in alle toonaarden. Met de zoekfunctie op haar website is het gewraakte artikel nog te vinden. Wie vervolgens in de lijst met hits de link naar het stuk aanklikt krijgt echter de overbekende ‘error 404′. Artikel niet gevonden. Actie beschadiging SGP is echter geslaagd.

Gerrit Voerman grapte dat hij dan wel gereformeerd was opgevoed, maar dat hij Psalm 68 nog nooit zo gezongen had horen worden als tijdens het Jubileumcongres van de ChristenUnie op 30 januari. Kees Kraayenoord en zijn band begeleidden deze psalm, met zo te zien de tekst en wijs uit het traditionele liedboek, maar met drums, electrische gitaren en keyboard klinkt dat toch anders dan met slechts orgelspel als begeleiding. Het deed mij eerlijk gezegd denken aan het ‘community singing’ op mijn middelbare school: kerstliedjes zingen zoals Nirvana dat zou doen.

Zelfs op een heidensch zelfstandig gymnasium klonk wel eens twijfel of dit nu een respectvolle manier was om dergelijke liederen ten gehore te brengen. Als tiener vond ik dat gezeik, maar afgelopen zaterdag begreep ik het beter. Ik zag diverse mensen praten tijdens deze liederen, vond het zelf ook niet erg om dat te doen en ook mijn D66-stemmende buurman kon zijn verbazing niet voor zich houden. Vervolgens nam een vrouwelijke PKN-predikant het woord voor een “meditatie”. Wie nu nog durft te beweren dat de ChristenUnie altijd dezelfde is gebleven, moet zich gaan schamen.

In het NRC Handelsblad twee korte stukjes over deze dag en het bijbehorende boek Van de marge naar de macht (dat onder redactie van Gerrit Voerman en Joop Hippe tot stand kwam en waaraan ik in de vorm van het tweede hoofdstuk een bijdrage heb geleverd). Een kort stukje meldt dat Mgr. Hurkmans het CDA verweet religie doelbewust buiten het debat te houden en dat het bijna geen toeval kan zijn dat enkele dagen later de ChristenUnie bekend maakt haar eerste katholieke leden te hebben ingeschreven. Dat laatste klopt uiteraard niet: al vanaf het ontstaan van de partij waren er katholieken lid. Maar het is fijn om te zien dat het NRC doorheeft dat de partij dit nu ook durft te erkennen en zelfs actief katholieke kiezers voor zich wil winnen.

Het tweede artikel in de krant van gisteren was een verslag van het congres. Zoals in ongeveer alle artikelen over het CU-jubileum werd ook hier Voermans opmerking over Psalm 68 aangehaald. De grap van de dag. Het opvallendste vond ik de referentie naar een opmerking van Bas van der Vlies die de ChristenUnie een fles rode wijn aanbood: “Hij is niet lekker als je er te veel water bij doet.” Die opmerking karakteriseert het centrale thema van de dag beter dan Voermans gevatheidje.

Nog voordat het congres was begonnen had Van de marge naar de macht namelijk pagina 101 van Teletekst al gehaald: de ChristenUnie gaat het CDA achterna. Daarover heb ik mijn mening al gegeven in ‘ChristenUnie richting CDA?’, vooral naar aanleiding van de reacties daarop. Volgens het NRC stelt het genoemde boek, dat in 2000 de CU-leden hun partij nog rechts van het CDA plaatsten en dat in 2009 de leden juist vonden dat de ChristenUnie links van het CDA stond. Ook meende, alweer volgens dat NRC-artikel dat het boek citeert, ‘75 tot 80 procent tien jaar geleden dat de overheid uitingen van homoseksualiteit uit het openbare leven moet weren en nooit mag overgaan tot erkenning van alternatieve samenlevingsvormen’. In 2009 was dat gedaald naar minder dan de helft. Nu vraag ik me hierbij vooral af of de twee elementen (homoseksualiteit in het openbare leven en erkenning van alternatieve samenlevingsvormen) in de vraagstelling van het originele onderzoek ook aan elkaar verbonden waren. Ik zal moeten wachten tot ik het boek toegestuurd krijg. Overigens gaat het wat ver voor mij om het te recenseren, maar als partijlid wil ik het zeker gebruiken om het de laatste jaren zo afwezige “intern debat” mee aan te gaan.

Neem nu de bijdrage van George Harinck en Hugo Scherff. Zij constateerden volgens het Nederlands Dagblad dat de overheidsvisie van de ChristenUnie gedateerd is. Dat zal voor de CU geen nieuws zijn, tenminste, ik neem aan dat men daar op de hoogte is van de overheidsvisie die de partij uitdraagt. De overheid moet God eren, staat in het Kernprogramma. Dat roept tegenwoordig vooral associaties op met de Taliban. Het Kernprogramma beroept zich hierbij op Abraham Kuyper, die in zijn eigen tijd juist onder kritiek van meer theocratisch denkende protestanten stond omdat hij tezeer uitging van een neutrale overheid – dus destijds was hij blijkbaar het tegenovergestelde van de Taliban.

Enfin, ik snap weinig van Kuyper dus ik onthoud me van een mening totdat ik het betoog van Harinck en Scherff heb gelezen. Ik heb het altijd een erg goed idee gevonden om de Uniefundering en Unieverklaring van de ChristenUnie te updaten. In het eerste document staan bijvoorbeeld nog de Drie Formulieren van Enigheid genoemd. Ik schat dat de helft van de partij die pamfletjes niet meer wil onderschrijven en dat de andere helft amper weet wat erin staat. Schrappen dus. En als je dan toch bezig bent, waarom niet het Kernprogramma meenemen bij deze opfrisbeurt? Het probleem is alleen: er komt veel discussie bij kijken, zeker als de Uniefundering moet worden aangepast levert het een hoop rompslomp op. Alle kiesverenigingen schijnen dat te moeten goedkeuren. Voor je dat goed en wel hebt gewijzigd is het 2020 en wie weet is de koers van de partij dan wederom sterk gewijzigd en kan je gelijk opnieuw beginnen. Mijn voorstel is dan: praktisch denken, de documentjes voor lief nemen, kort en bondig formuleren hoe je met de verouderde grondslag en het verouderde kernprogram omgaat en verder je daden laten spreken. Dat doet de ChristenUnie nu al uitstekend.

Jarenlang kwelde de Stemwijzer mij. Toen ik tien jaar geleden lid was van de SP kreeg ik als stemadvies consequent GroenLinks of ChristenUnie en stond ‘mijn’ partij steevast op plaats drie. Later werd ik actief voor de ChristenUnie-jongeren van PerspectieF. Stemadviesje ChristenUnie was ineens zéér gewenst, maar de Stemwijzer vond dat ik voor de SP of GroenLinks moest kiezen en lokaal in Groningen kreeg ik in 2006 zelfs de tip om op de NCPN te stemmen. Linkser kan een mens niet worden.

Daarom vulde ik zonet met angst en beven het ding weer in voor de gemeenteraadsverkiezingen in Amersfoort. Voor een heel aantal gemeentes is dit inmiddels mogelijk, zie de website van Stemwijzer.nl. Als je liever op een aantrekkelijke heer of dame stemt is er altijd nog WieKiesJij.nl als alternatief.

Enfin, ik gaf dus antwoord op de vragen, en o happy day, o glorious day, het ding bevestigde mijn kandidatuur. Nu is al lang bekend dat het zelfs de beste kan overkomen dat je uitkomt bij een partij die niet de jouwe is, maar het blijft pijnlijk. Het enige wat je dan nog kunt doen is de Stemwijzer afzeiken. Mijn uitslag was als volgt:

Niet alleen kwam de partij eruit waarvoor ik als 7e op de kandidatenlijst sta: zoals jullie zien had die ook enige voorsprong op de nummers twee en drie. Dat waren uiteraard de SP en GroenLinks. Als verklaring denk ik aan de volgende opties:

  1. Ik ben rechts geworden.
  2. Ik ben gristelijker geworden.
  3. De ChristenUnie is linkser of minder gristelijk geworden.
  4. De Stemwijzer is veranderd.

De eerste twee opties acht ik onwaarschijnlijk. In mijn denken ben ik gevormd door wat je zou kunnen noemen een conservatief-sociaaldemocratische familie. Dat gedachtegoed heb ik niet verlaten in de afgelopen tien jaar, maar ik heb uiteraard een ontwikkeling doorgemaakt. Destijds heb ik me verzet tegen het al te makkelijk opgeplakte stempel “christensocialist”. Tegenwoordig wil ik me verzetten tegen de indruk dat ik een radicale ommezwaai van socialisme naar christelijk conservatisme zou hebben gemaakt. Een genuanceerde beweging in die richting heeft wel plaatsgevonden en in de brei van sociaaldemocratische, conservatieve, christelijke gedachten in mijn hoofd heeft zich iets duidelijker een visie afgetekend. Maar het is niet zo dat die visie tien jaar geleden in essentie afwezig was in mijn denken, alleen legde ik andere accenten, en zijn sindsdien de verhoudingen iets (maar niet radicaal) gewijzigd. Nu, op deze manier hoop ik voldoende nuance te hebben aangebracht zonder te ontkennen dat mijn denken aan verandering onderhevig is.

Dan de derde mogelijkheid: de ChristenUnie is veranderd. Dat is slechts zeer ten dele waar. De ChristenUnie was mijns inziens al vrij snel na de oprichting de christelijk-sociale partij die ergens tussen CDA en PvdA instaat, kortom, de partij die zij ook nu is. Ook hier zijn andere accenten zichtbaar, zoals een verminderde nadruk op medisch-ethische thema’s. In die zin is de partij voor het oog minder gristelijk geworden. In het programma is de verandering echter veel minder zichtbaar en dat is maar goed ook. Dat in de periode 2002-2006 opvallend vaak een sociaal geluid van de ChristenUnie klonk in debatten over sociale thema’s was mooi, maar als je ontwikkelingen in het GPV en de RPF in de jaren negentig ziet ook nauwelijks een ommezwaai te noemen. Ik voelde me al aangetrokken tot de ChristenUnie voordat Tineke Huizinga los ging.

Dan de vierde mogelijkheid: Stemwijzer is veranderd. Ik denk dat hier een groot deel van de verklaring voor mijn nieuwe uitslag ligt. Weliswaar heb ik in het verleden ook wel eens ChristenUnie als advies gekregen, maar het was toch vooral de SP of GroenLinks. Het aantal religie-gerelateerde vragen is anno 2010 in de Stemwijzer groter dan in voorgaande jaren. De vragen gingen over koopzondagen, over subsidieverstrekking aan religieuze organisaties, over moskeeën, etc. Dat is voor een deel te danken aan de kabinetsdeelname van de ChristenUnie, die weliswaar niet voor veranderingen heeft gezorgd op genoemde thema’s, maar die er wel toe heeft geleid dat er weer over wordt gepraat. In andere woorden: je ziet in de Stemwijzer terug, dat het maatschappelijk debat vaker over religieuze thema’s gaat dan tien jaar geleden. Op die punten heb ik een mening die volledig op één lijn zit met de ChristenUnie en in mindere mate met SP en GroenLinks.

Al met al denk ik dat de vierde factor de meest bepalende is. Dat ik in mijn denken, vooral na mijn bekering tot het katholieke geloof, iets in de richting van de ChristenUnie ben geschoven wil ik niet ontkennen. Maar ik vermoed dat de agenda van het maatschappelijk debat mijn affiniteit met die partij nog eens extra bevestigt.

Ik ga misschien nog nader op dit boek in op een later moment, maar zo vlak voordat ik vertrek naar het CU-congres waarover wordt gesproken: ik denk dat bovenstaande analyse klopt.

Na een aanvankelijk zeer afstandelijk “goh, wat leuk, de ANWB doet een peilinkje” drong het de afgelopen 24 uur tot me door dat ik sinds een dik jaar zelf een auto heb, en dus word geacht me te verdiepen in de nieuwste hype op het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Ik wist wel ongeveer wat het voorstel inhield, maar nog niet specifiek genoeg. Dat bleek in ieder geval toen in meedeed aan de peiling van de ANWB. Ik dacht, dat kan wel even in mijn koffiepauze, maar aan het eind zat ik aan mijn derde bak. Dat is nog eens grondig peilen!

Aanvankelijk kreeg ik het onaangename vermoeden dat de minister en de ANWB onder één hoedje speelden. Het beeld dat ik van het plan kreeg, was zuiver positief. Halverwege sloeg dat om. Toen kwamen er twee punten op tafel: de kilometerprijs is hoger voor auto’s die niet zuinig rijden en ook in de spits betaal je meer. Dat er daarnaast een kastje in de auto komt dat elke beweging registreert, dat het inbouwen van die dingen gruwelijk veel geld kost (ongetwijfeld weer minimaal het dubbele van het budget dat er nu voor is berekend, want zo gaat dat met overheidsprojecten) en dat er daarnaast ook nog eens allerlei risico is dat de techniek faalt of voor verkeerde doeleinden gebruikt wordt – dat is ook niet leuk, maar minder belangrijk.

Eerst de spits. Het kabinet lijkt ervan uit te gaan dat men voor de lol in de file staat en dat men daarmee zal stoppen zodra het te duur wordt. Ik vrees dat dit enigszins naïef is. Mijn persoonlijke voordeel is dat ik in de buurt van een intercitystation woon en op die manier zonder overstap naar Amsterdam Zuid kan reizen. In de namiddag zie ik daar de file staan, terwijl ik me verdring om een zitplaats te krijgen in de trein naar huis. Voor de meeste mensen is de auto echter véél makkelijker en sneller. Openbaar vervoer betekent voor hen: lopen naar de bushalte, wachten op de bus, op tijd op het station zijn, wachten op de trein, weer wachten op de bus en lopen naar het werk. Dat levert al snel een half uur tot een uur extra reistijd op, per reis. Vermenigvuldig dat met twee en je hebt minimaal een uur extra reistijd per dag. In een economie waar nu al het maximale uit elke werknemer wordt geperst, komt dat de kwaliteit van leven niet ten goede en om nog een beetje rust te hebben zullen mensen gewoon de auto blijven nemen. Daarnaast gokt de regering op flexibele werktijden. Volgens mij is dat een luxeproduct. De gemiddelde werknemer wordt gewoon geacht om ruwweg van 9 tot 5 te werken. Hooguit zullen enkele mensen dichter bij hun werk gaan wonen, verder zal de kilometerheffing niets veranderen aan de spits.

Hetzelfde geldt voor de hogere kilometerprijs die geldt voor auto’s die niet milieuvriendelijk zijn. Kortom, als je diesel gebruikt in plaats van benzine of als je auto 1 op 10 rijdt in plaats van 1 op 25, ben je duurder uit. Ik kon weinig beters betalen dan een Opel Astra uit 1994 die 1 op 13 blijkt te rijden. Nu heb ik, als het carrièretechnisch allemaal gaat zoals het hoort, binnen een paar jaar zo’n prachtige Toyota die superzuinig is, maar een zuinige auto is voor heel veel Nederlanders niet te betalen.

Wat hier dus tweemaal gebeurt is dat de onderklasse het bokje is. Mensen die zelf hun werktijden kunnen bepalen en die geld genoeg hebben voor een zuinige auto, die hebben het voordeel. En dat zijn in de regel niet de mensen die in sociaal-economisch opzicht tot de onderste helft van de samenleving behoren. Dit is mijn belangrijkste bezwaar, ook tegen andere ideeën zoals het verhogen van de brandstofaccijns. Je treft er de verkeerde mensen mee. Dit alles overziend ben ik dus voorlopig een gematigd tegenstander van de kilometerheffing zoals het plan er nu ligt. Niet onvermurwbaar, sterker nog: mijn eigen ChristenUnie is fanatiek voorstander dus als er mensen zijn die me op andere gedachten kunnen brengen: graag!

Tot slot nog over de ANWB-peiling. Dat is een grondige peiling die veel informatie geeft. Ernst Kramer van de ChristenUnie heeft, toen minister Eurlings aangaf de uitslag van deze peiling te laten meewegen in zijn besluit over de kilometerheffing, direct bezwaar aangetekend. Kramer suggereerde ten onrechte dat de ANWB-peiling alleen door leden van die organisatie mocht worden ingevuld. Dat is onjuist: van tevoren wordt alleen naar je postcode en huisnummer gevraagd. Helemaal aan het eind vraagt de peiling nog of je lid bent van de ANWB en of je zelf überhaupt een auto hebt. Dus in principe kan iedereen meedoen met de peiling.

Iedereen? Nee, natuurlijk niet. Ten eerste moet je een computer hebben. De meeste mensen hebben dat, tot kinderen aan toe. Het risico is echter groot dat ouderen onvoldoende gehoord worden. Bovendien zijn die mensen die weten dat als je na afloop van de test je cookies verwijdert, je ‘m nog een keer kunt invullen, in het voordeel. Die kunnen in principe 1000x de test indienen en op die manier de einduitslag manipuleren – en daarmee minister Eurlings. Als je maar één computer hebt, je vrouw wil na jou de test invullen en je weet niet hoe je cookies moet verwijderen, dan heb je een probleem. Dan heeft je vrouw simpelweg geen stem.

Tot slot is er nog het bezwaar, dat als je een test laat invullen door wie het maar wil, je geen goede steekproef krijgt van de bevolking. Dat is ook mijn bezwaar tegen de manier waarop de Telegraaf te werk gaat – daarnaast vind ik het te zot voor woorden dat een krant zich zo nadrukkelijk mengt in het politieke debat. ‘Verpletterend NEE’ kopt die krant. De Telegraaflezer is tegen de kilometerheffing. Dat is niet verwonderlijk, als je beseft dat die krant al maanden roept hoe verschrikkelijk het zou zijn als deze heffing wordt ingevoerd.

Eindconclusie: (1) de politiek moet zich niets aantrekken van niet representatieve peilingen van de ANWB en de Telegraaf, (2) de politiek moet zich wel degelijk iets aantrekken van het professionele advies van de ANWB zelf en (3) de politiek moet bij de invoering van het rekeningrijden, als het aan mij ligt, nog eens goed kijken of niet juist de verkeerde groepen onevenredig hard worden getroffen.

Edit: wat ik hier over de kwaliteit van de ANWB-peiling beweer is door het NRC-Handelsblad ook al gezegd, zie ik nu.

Ik heb zoals wel duidelijk mag zijn, eventjes geen tijd voor wat langere stukken, maar wil toch even het zwartboek aanbevelen dat Observatrix sinds kort bijhoudt. Het brengt mensen die de Kerk liefhebben niet in opperbeste stemming, maar een inventarisatie van misstanden in de Nederlandse katholieke Kerk is broodnodig. Daarnaast helpt het wellicht om beweringen van enkele van onze bisschoppen dat het voor het grootste deel allemaal prima gaat in ons land, te ontkrachten of onderbouwen.

Moge de Bankgiro Loterij hetzelfde lot ondergaan als het legendarische biermerk Buckler. Ik krijg nu zowat elke week een spambrief van deze ‘door de minister van Justitie goedgekeurde’ organisatie op de mat en stuur de brieven consequent retour afzender, heb me al maanden geleden afgemeld via infofilter, niks helpt. Dus lever ik graag een bijdrage aan de slechte naam van deze loterij.

Mocht Pieter Lakeman in een dipje zitten nu er geen malafide organisaties meer te ontmaskeren zijn: van mij mag hij helemaal los op deze lui. ;)

Sinds de publicatie van het rapport van de commissie Davids wordt mij wel eens gevraagd waarom ik daar (nog) niets over heb geschreven. De reden daarvoor is simpel: juist op dit soort momenten laat de politiek zich met haar meest lelijke gezicht zien. Beter kan ik zeggen: laten de politiek en de media zich… Ik heb overwogen journalist te worden en overwogen actief te worden in de politiek. Voorlopig lijkt mijn streven om gewoon eerlijk en open te zijn, een carrière in beide sectoren in de weg te staan.

Wie denkt dat ik de laatste dagen heb gezwegen vergist zich trouwens: op Opunie heb ik vrij uitvoerig van gedachten gewisseld met Edward Gebuis en anderen. Die website is geen ideaal podium. De auteurs van de artikelen die er worden geplaatst gaan slechts zelden het debat aan en het is niet mogelijk om zelf artikelen aan te leveren. De voorganger van Opunie, wijlen Ebate.nl, was veel opener, gaf meer ruimte voor debat. De chronologie is als ik het goed begrijp, als volgt:

  1. Davids presenteert zijn rapport.
  2. Balkenende dankt Davids, aanvaardt alle conclusies die hem uitkomen, verwerpt de rest als zijnde een mening.
  3. Mariëtte Hamer flipt, roept dat de PvdA-ministers niet achter Balkenendes visie kunnen staan.
  4. Rouvoet vertelt dat Balkenende namens het kabinet sprak.
  5. Een dag later komt er een nieuw standpunt van het kabinet, dat iets gematigder is, vooral op het punt van de volkenrechtelijke basis van de Irak-oorlog. Dit wordt door de media, die hopen op sensatie, die zo graag willen dat er weer eens een kabinet valt, uitgelegd als een ‘knieval’ van Balkenende. Tot zover de luis-in-de-pelsfunctie die de media zo graag claimen. Er is eerder sprake van misleiding: het hele kabinet, en niet alleen Balkenende, boog voor het dreigement van de PvdA om de boel op te blazen.
  6. Er is ’s avonds en ’s nachts een spoeddebat over deze twee kabinetsverklaringen. (Op BitterLemon vraagt Derek Bulthuis zich, vreemd genoeg, af waarom het debat niet ging over het rapport van Davids. Dat is heel simpel te beantwoorden: dat debat moet nog worden gevoerd, dat kan hij nalezen in het commentaar dat collega-historicus Bart-Jan Spruyt afgelopen week leverde. Eerst moet men wat grondiger kennis nemen van de inhoud van het rapport. Het was niet alleen, zoals Bulthuis suggereert, de linkse oppositie die de inhoud van het rapport meed: ook de regeringspartijen gaven expliciet aan het daar niet over te willen hebben. Bulthuis zal dus andere argumenten moeten zoeken om linkse partijen te bekritiseren.) Tijdens dit debat proberen de leiders van de oppositie (Rutte, Halsema, Pechtold, Kant) mooie oneliners te produceren en heldere vragen te formuleren. Daarin slagen ze goed, ze leggen uitstekend de vinger op de tegenstrijd tussen de twee verklaringen, maar dat is uiteraard vooral bedoeld voor de camera’s. De leiders van de coalitiepartijen (Slob, Van Geel, Hamer) hullen zich in wollig taalgebruik, lange zinnen, en antwoorden op vragen die niet gesteld zijn. Dit alles noemt men het politieke spel.

Titiaan, David en Goliath

Het debat leerde mij dat Arie Slob een veel betere politicus is dan ik had verwacht. Hij deed weinig onder voor Van Geel in het niet-beantwoorden van vragen en het doen van betekenisloze uitspraken. Dat geeft hoop, blijkbaar weet de ChristenUnie inmiddels hoe je je als kabinetspartij moet gedragen. Hamer slaagde er nog het beste in om daadwerkelijk enkele vragen te beantwoorden, wat haar meteen op de verdenking komt te staan dat ze misschien toch uit is op de val van het kabinet. Eerlijkheid is in de politiek nu eenmaal de grootst denkbare ondeugd.

Wat mij opvalt is dat er diverse beelden ontstaan. De mythe van de media als kritische luis in de pels, beschermer van de democratie en al dat soort dingen, is een hele mooie. Uitgaande van dat beeld, gelooft men de media ook als deze een beeld neerzetten van de politiek, alsof het daar zou gaan om debat waar argumenten tegenover elkaar komen te staan. Ja, als je het zo bekijkt dan was woensdag voor de kijker een grote teleurstelling. Politiek draait vooral om een oppositie die tegen het kabinet aanschopt en een kabinet dat dat negeert. Bij de verkiezingen wint de oppositie en verliest het kabinet. Een uitzondering was wellicht het kabinet-Den Uyl, maar dat gedroeg zich dan ook alsof het tot de oppositie behoorde. Geen enkel kabinet heeft meer schade aangericht dan dat. Ons land is, wat Wilders en Verdonk en Kant verder ook mogen roepen, gebaat bij slechte debatten, bij kabinetten die hun zin doordrijven zonder zich al te veel te verantwoorden, bij regenten die zich zogezegd niets aantrekken van het volk. Juist het feit dat zij dit ontkennen maakt partijen als de PVV en de SP gevaarlijk, niet hun standpunten.

Tot zover het elitaire deel van mijn standpunt.

Kijk je vervolgens naar hoe de politiek werkt, dan zie je dat er in feite weinig verschil is tussen Nederland en het gemiddelde Afrikaanse land. Als voorbeeld schoot mij het Oputa Panel (a.k.a. de Human Rights Violations Investigation Commission) te binnen. Toen Nigeria in 1999 een democratie werd, stelde de versgekozen president Olusegun Obasanjo waarheidscommissie in naar het model van haar beroemde evenknie uit Zuid-Afrika (geleid door Desmond Tutu). Voorzitter van deze HRVIC werd Chukwudifu Oputa, gepensioneerd rechter van het Nigeriaanse hooggerechtshof. Zeg maar ‘hun’ Davids. De opdracht was om de mensenrechtenschendingen ten tijde van de dictatuur in Nigeria te onderzoeken.

George W. Bush en Olusegun Obasanjo

Daar kwam het eerste probleem: Obasanjo was van 1976 tot 1979 zelf dictator geweest. Weliswaar van het vriendelijke soort, zo had hij een overgang naar democratie geregeld, maar toch: een dictator. Vervolgens werd de democratie in Nigeria een corrupte bende, waarna in 1983 Muhammadu Buhari een staatsgreep pleegde. Deze werd twee jaar later weer afgezet door Ibrahim Babangida, die het land van 1985 tot 1993 regeerde. Babangida werd gedwongen zijn land te democratiseren, maar verklaarde het resultaat van de presidentsverkiezingen in 1993 ongeldig. Deze verkiezingen, naar verluid de meest eerlijke uit de Nigeriaanse geschiedenis, hadden Moshood Abiola aangewezen als president. In de chaos die vervolgens ontstond greep generaal Sani Abacha de macht. Wat volgde was een vijfjarige bloedige dictatuur die Nigeria tot een paria in de internationale gemeenschap maakte. Activisten werden geëxecuteerd, Obasanjo en Abiola verdwenen in de gevangenis. God zij dank eindigde dit toen Abacha (volgens de roddels tijdens een orgie met enkele Aziatische prostituees) aan een hartaanval stierf. Overgangspresident Abdulsalami Abubakar droeg binnen een jaar de macht over aan een nieuwe democratisch gekozen president, de voormalige dictator Obasanjo.

En die Obasanjo stelde direct het Oputa Panel in, maar zorgde tevens dat het mandaat van dit panel de periode 1983-1999 besloeg. Daarmee bleef Obasanjo’s eigen dictatuur buiten beschouwing. Enige parallellen met Balkenendes pogingen om vooral geen onderzoek te doen naar de besluitvorming van zijn eigen kabinet inzake Irak, ontgaan mij niet. Wat Obasanjo verder goed uitkwam was dat zijn politieke concurrenten (de oud-dictators Buhari en Babangida, die beide graag Obasanjo wilden opvolgen als president) wél onder het onderzoek vielen. Pas na het uitoefenen van forse politieke druk verruimde de president het mandaat en mocht het panel de volledige periode van dictatuur onderzoeken, van 1966 tot 1999 (met dus een kort democratisch intermezzo in 1979-1983).

Rechter Chukwudifu Oputa

Na drie jaar van juridisch getouwtrek en flink gedwarsboomd door de regering diende het Oputa Panel zijn rapport in. Hemel en aarde waren bewogen om Babangida, Buhari en Abubakar voor het panel te laten getuigen, maar daartoe had Oputa niet de macht. Obasanjo zelf kwam wel, vrijwillig, en verwierp in een emotionele sessie alle beschuldigingen aan zijn adres. In mei 2002 presenteerde het panel zijn rapport, Obasanjo nam het vriendelijk in ontvangst, dankte Oputa. De Nigeriaanse regering greep vervolgens de processen die Babangida en Abubakar tegen het panel hadden aangespannen aan om de inhoud van het rapport verder te negeren.

Meer dan de best bekeken soap uit de Nigeriaanse televisiegeschiedenis (de zittingen waren live te zien op de buis) is het Oputa Panel nooit geworden. Het was goed voor de beeldvorming, maar de politiek schoof het rapport terzijde en het is tot op de dag van vandaag niet in druk verschenen (maar wel te vinden op internet). Het vertrouwen in de politiek is in Nigeria zeer laag, men maakt zich geen enkele illusie als het gaat om de oprechtheid van de regering of het parlement. Wat dat betreft zijn ze in dat land mijns inziens realistischer dan hier. Obasanjo gebruikte de juridische problemen rondom het Panel om de zaak terzijde te schuiven, Balkenende doet niet eens de moeite om een goede reden te zoeken om de commissie Davids te negeren. Hij zegt simpelweg: het is slechts een mening. Had Obasanjo dat acht jaar geleden gezegd, dan hadden de Nederlandse media zich verzucht. “Tsja, Afrika, daar kan zoiets.”

Oudere Berichten »